Posts tonen met het label Martijn Schuppers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Martijn Schuppers. Alle posts tonen

dinsdag, maart 09, 2010

Niets is meteen iets

Abstract Trouvé
Niets is meteen iets


Ieder schilderij is opgebouwd uit een manier van verf opbrengen die niets anders is dan materie op een ondergrond. Concreter kan het niet. Er wordt niet meer mee afgebeeld dan dat, totdat er een afbeelding van de zichtbare werkelijkheid tot stand komt of een uitdrukking van het niet zichtbare. Een abstractie drukt uit wat geen massa heeft; het is onbepaald. Een abstract schilder doet niets anders dan een figuratief schilder, ze geven beiden uitdrukking aan een schilderkunstig voornemen, met dezelfde middelen en technieken, maar met een andere uitkomst voor ogen: een herkenbare voorstelling of een voorstelbare herkenning. Niet voor niets is het belangrijkste geschrift dat ten grondslag ligt aan de abstracte kunst 'Über das Geistige in der Kunst' van Wassily Kandinsky.
Bestaat er bij het grote publiek nog altijd een zekere argwaan tegenover de abstracte kunst, in de eigentijdse kunstpraktijk hebben figuratie en abstractie nauwelijks nog een onderscheidende rol. Allerwegen wordt onder kunstenaars de notie erkend dat zelfs de meest fotorealistische uitbeelding van een visuele waarneming, bestaat uit een opeenvolging van handelingen die in wezen abstracties zijn.

Abstracte beelden treffen we overal aan, ook in de zichtbare werkelijkheid. We kunnen ook zeggen wat het is, we hebben er woorden voor, alleen zijn die woorden niet uitdrukkelijk, hoewel vreemd genoeg vaak wel plastisch: een vlek, een veeg, een streek. Daardoor stellen we ons er iets bij voor en we zijn geneigd er toch 'iets in te zien'. Het ultieme abstracte kunstwerk is dus iets waar je niets in ziet. Maar hoe minder er te zien is, zoals bij een monochroom wit doek, hoe makkelijker het is om het te benoemen: witte verf op doek. Niets is meteen iets, een beeld

De kunstwerken die voor 'Abstract Trouvé' bij elkaar zijn gebracht, gaan uit van de abstractie als een 'ready made', kunst die onlosmakelijk deel uitmaakt van de realiteit. Een 'object trouvé' vindt de kunstenaar niet uit, maar wordt door hem aangetroffen. Hij ziet dat het er is. Sinds het object trouvé in de kunst zijn intrede deed, is ieder kunstwerk een noodzakelijk deel van de werkelijkheid en geen kunstmatige toevoeging.

Harmen Brethouwer is gefascineerd door de manier waarop marmer zich aan ons voordoet. Kenmerk van marmer is dat het kostbaar is in gebruik en dat daarom van oudsher marmerimitaties worden gemaakt. Marmerschilders die deze imitaties uitvoeren zijn specialistische vakmensen. Brethouwer heeft een aantal van hen gevraagd bestaande, dagelijks toegepaste marmerimitaties als zelfstandig schilderij te maken. Wat hem hierin interesseert is dat het interpretaties zijn van marmers, en niet enkel naschilderingen. Daarom noemt hij ze 'valse abstracties'; er is sprake van een eigen stijl, de schilderkunstige opbouw, de penseelvoering en dergelijk zijn aspecten die een abstracte schilder ook kent. Afwijkend voor de marmerschilder is dat op een autonoom paneel compositie nadrukkelijk aan de orde komt, wat minder het geval is in een decoratieve toepassing. De vraag is of je deze marmers serieus neemt in hun abstracte kwaliteit.

Waarheidsgetrouwheid is niet bepaald een eigenschap die aan de abstracte kunt wordt toegekend, omdat er buiten het abstracte beeld geen referentie bestaat waaraan je die waarheid kunt afmeten. De overtuigingskracht van het beeld moet in het schilderij of de sculptuur zelf worden gevonden. In de schilderijen van Martijn Schuppers doet de eigenaardigheid zich voor dat zowel de schildertechniek als wat daarmee wordt geschilderd onmiddellijk refereert aan het fotografische beeld van natuurlijke, vaak landschappelijke formaties. Alleen: dat zijn ze niet. Het zijn geen representaties, maar schilderkunstige feitelijkheden. Zoals je in een stoel aan een tafel gaat zitten, kijk je naar dit werk. Zijn aanwezigheid is vanzelfsprekend als beeld. We kijken niet naar een foto, maar naar een schilderij en we zien geen weergave van iets natuurlijks, maar van bedachte constructies en patronen. Er valt niets af te dingen op onze waarneming als we hier naar kijken.

Lizan Freijsen maakt onder meer installaties die het residu van een gevreesd proces als uitgangspunt hebben: de lekkage. Iedereen kent de vlekken in de zachtboardplafonds van te vochtige en schimmelende vakantiehuisjes waar de gemiddelde Nederlander tussen de jaren vijftig en zeventig zijn schaarse vrije dagen doorbrengt om zichzelf het idee te geven dat hij even van de zorgen van alle dag verlost is. De vochtvlekken in het plafond herinneren je er aan dat ontsnappen niet mogelijk is. Freijsen slaagt erin om met een angstaanjagend realisme in de abstractie van die patronen de ware bevrijding van het kijken met voorbedachten rade te bewerkstelligen. Je kunt je niets intrigerenders voorstellen dan die vochtvlek. Je ziet er van alles in, maar niet zozeer niet de werkelijkheid. Toch brengt ze die ongezouten, om niet te zeggen unverfroren, onder de aandacht. Ze gebruikt daartoe fotografie die ze naar haar hand zet. Bij haar kijken we naar een onbewogen oppervlak waarin de tijd tot staan is gebracht in fossiele resten van het leven. Het zijn tekens die op het punt staan te worden uitgewist, maar die zich niet laten wegwassen. De geest is vrij om te denken wat je voor ogen staat.

Alex de Vries
1 maart 2010


Tekst: Alex de Vries. Ter gelegenheid van de expositie ‘Abstract Trouvé’, een gezamenlijk project van K09 en Martijn Schuppers.

Alex de vries (1957) is zelfstandig curator, adviseur en schrijver over beeldende kunst. Lid van de Raad voor Cultuur. Medeoprichter van het blad Metropolis M (in 1979), waarvan hij tot 1984 redactielid was.

Abstract Trouvé 7 maart t/m 10 april 2010

zondag, december 10, 2006

BSTRCT

“Abstracte schilderkunst kan zich niet meer beroepen op haar vermeende essentie. Haar opgaan of verdwijning in het alledaagse leven heeft haar bevrijdt van Russisch ‘Utopianisme’, de ‘authentieke’ Pollock en de ‘waarachtige’ Mondriaan. Hedendaagse abstractie accepteert haar onderdompeling in banaliteit en heroverweegt tegelijkertijd haar gebroken verhouding met Modernisme”.(1)


Deze tentoonstelling moet een beeld neerzetten van een dwarsdoorsnede van de hedendaagse schilderkunst die is verankerd in een abstracte traditie. En ja, daar gebeurt het: zodra het A-woord valt, is de toon gezet. ‘Abstract? Kun je dat eten?’, vroeg Han Schuil mij toen we over de titel van deze tentoonstelling te spreken kwamen. En nee je kunt het niet eten, ook al is het concreter dan menigeen denkt. En ja, het dient definitie, en nuancering. Een abstracte traditie duidt echter al op iets dat veel groter is. Het enkele woord abstract leidt evenals figuratie tot versimpeling, en foute voor(onder)stelling(en) van zaken Toch worden ze te pas en te onpas gebruikt om maar duidelijkheid te scheppen. Het tegenovergestelde wordt bewerkstelligd. Terminologieën als abstract en figuratief zijn al vele tientallen jaren niet meer toereikend, en hebben hun (aanvankelijke) betekenis reeds lang verloren. Het zijn dan ook achterhaalde termen die niets anders zijn dan handreikingen aan een publiek dat duidelijkheid wenst te krijgen. Deze woorden dekken de nuance en de complexiteit van hedendaagse kunst niet meer. Nooit is exact aan te wijzen waar abstractie begint en figuratie eindigt, en vice versa. Zo ligt bijvoorbeeld aan elk hedendaags non-figuratief kunstwerk een exempel uit de afgelopen eeuw ten grondslag (nog afgezien van het laatste werk dat er in het atelier aan vooraf is gegaan), en dat maakt alle kunst per definitie ‘figuratief’.
Gemene deler in deze tentoonstelling is de hyperbewuste houding van de individuele kunstenaars ten aanzien van de geschiedenis van de schilderkunst. Wat alle kunstenaars gemeen hebben, is het feit dat ze zich bewust zijn van het gegeven dat alles wat reeds is als vertrekpunt kan dienen in plaats van doel in zichzelf. Een monochroom schilderij is niet meer bij uitstek radicaal, en is in die zin even klassiek als een bloemstilleven. Grenzen die voorheen nog werden opgezocht, worden inmiddels als conventies gezien. Door de idealen uit de vorige eeuw niet meer als doel in zichzelf te beschouwen, worden eindpunten vertrekpunten.
Schilderkunst heeft zich vooral in de vorige eeuw verbasterd door cross-overs aan te gaan met andere media zoals beeldhouwkunst, fotografie, conceptuele kunst, performance, (populaire) beeldcultuur, mode en design. Maar van een even zo groot belang voor haar ontwikkeling is de tautologische aard van de schilderkunst. Haar ‘ontvankelijkheid’ voor andere media in combinatie met haar ‘autistische karakter’ toont ons een medium dat vele gezichten kent. Haar lichaam is zowel taai als uiterst flexibel. Ze is zelfs een paar maal uit de over haar afgeroepen dood herrezen. Of zoals Schuil wijselijk zegt: Het Modernisme is dood, niet de schilderkunst.(2)

Martijn Schuppers december 2006